Terug naar alle artikelen
Roy Kullick over chippen of pitchen rond de green

Chippen of pitchen: welke slag kies je rond de green?

chippen kort spel oefenen pitchen

Je bal ligt vlak naast de green. De vlag staat niet ver weg. Toch twijfel je: ga je chippen of pitchen?

Die keuze is belangrijker dan veel golfers denken. Niet omdat er altijd maar één juiste slag bestaat, maar omdat de ene optie in een bepaalde situatie veel eenvoudiger is dan de andere. Kies je een hoge pitch terwijl de bal gewoon over de grond naar de hole kan rollen, dan maak je de slag vaak onnodig moeilijk. Kies je een lage chip terwijl je over hoge rough of een bunker moet, dan geef je de bal juist te weinig hoogte.

Het verschil tussen chippen en pitchen zit vooral in de verhouding tussen vliegen en rollen. Met een chip blijft de bal relatief kort in de lucht en rolt hij daarna verder. Met een pitch vliegt de bal verder en hoger, waarna hij minder ver doorrolt.

In dit artikel leer je hoe je vóór iedere korte slag een eenvoudige keuze maakt. Je kijkt naar de ligging, de route naar de green, het beschikbare oppervlak en het landingspunt. Zo kies je niet automatisch je favoriete wedge, maar de slag die op dat moment het meeste vertrouwen geeft.

Het verschil tussen chippen en pitchen in één zin

Een chip rolt meestal meer dan hij vliegt. Een pitch vliegt meestal meer dan hij rolt.

Verschil in balvlucht en doorrol tussen een lage chip en een hoge pitch richting de green

Dat is de eenvoudigste manier om het verschil te onthouden. De exacte grens is niet belangrijk. Het gaat erom welk traject je nodig hebt.

Bij een chip wil je de bal zo snel mogelijk op een betrouwbaar stuk green laten landen. Daarna gedraagt de bal zich grotendeels als een putt. Je kunt daarvoor een wedge gebruiken, maar ook een pitching wedge, 9-ijzer, 8-ijzer of soms zelfs een hybride.

Bij een pitch heb je meer carry nodig. De bal moet bijvoorbeeld over rough, een bunker of een glooiing vliegen. Je gebruikt meestal een club met meer loft en maakt een langere beweging.

Begin niet bij de club, maar bij de route

Je kent het misschien: je bal ligt naast de green en je hand gaat meteen naar de sandwedge. Dat voelt vertrouwd, maar het is niet altijd de eenvoudigste keuze.

Kijk eerst van de bal naar de hole. Welke route kan de bal afleggen?

Stel jezelf vier vragen:

  1. Kan de bal over een vlak en kort gemaaid stuk rollen?
  2. Moet de bal iets passeren, zoals rough, een bunker of een steile rand?
  3. Waar kan de bal voor het eerst betrouwbaar landen?
  4. Hoeveel green heb je daarna nog tot de hole?

Kun je bijna de hele route over een betrouwbaar oppervlak rollen, dan is putten of een lage chip vaak logisch. Moet je een flink stuk onrustige ondergrond overbruggen, dan komt een pitch eerder in beeld.

De belangrijkste gedachte is: laat de ondergrond het werk doen wanneer die ondergrond voorspelbaar is. Kies meer hoogte wanneer de grond juist onzeker of onbruikbaar is.

Wanneer kies je voor een chip?

Een chip is vaak de beste keuze wanneer de bal dicht bij de green ligt en er veel ruimte is om uit te rollen.

Denk aan deze situaties:

  • De bal ligt op kort gras.
  • Er ligt geen bunker of hoge rough tussen jou en de hole.
  • Het eerste deel van de green is redelijk vlak.
  • De vlag staat verder achter op de green.
  • Je kunt een duidelijk landingspunt kiezen.

Het voordeel van een chip is dat de beweging klein kan blijven. Een kleinere beweging bevat minder snelheid en minder onderdelen die precies op tijd moeten samenwerken. Dat maakt de slag niet automatisch foutloos, maar vaak wel beter beheersbaar.

Een chip hoeft niet altijd met een wedge. Als je veel green hebt om mee te werken, kan een 8- of 9-ijzer handig zijn. De bal vertrekt dan lager en rolt verder. Staat de vlag dichter bij de voorkant van de green, dan heb je meestal meer loft nodig om de bal eerder te laten stoppen.

Roy gebruikt hiervoor onder andere de oefening Slechtste Bal. Speel vanaf dezelfde plek twee chips naar dezelfde hole en ga verder met de bal die het minst goed ligt. Zo telt niet alleen je beste chip: je traint juist om twee keer achter elkaar een veilige slag met een bruikbaar landingspunt te spelen.

Wanneer kies je voor een pitch?

Een pitch wordt logisch wanneer de bal langer in de lucht moet blijven.

Dat gebeurt bijvoorbeeld wanneer:

  • Je over een bunker moet.
  • Er hoge of natte rough tussen de bal en de green ligt.
  • De green verhoogd ligt.
  • Je weinig green hebt tussen de rand en de vlag.
  • De bal na de landing relatief snel moet stoppen.

Een pitch vraagt meestal om een langere beweging en meer snelheid dan een chip. Daardoor wordt goed contact belangrijk. Probeer de bal niet met je handen omhoog te scheppen. De loft van de club en de beweging door de bal zorgen samen voor de hoogte.

Meer loft betekent ook niet automatisch meer controle. Een zeer hoge slag kan nodig zijn, maar vergroot vaak de foutmarge. Kies daarom alleen zoveel hoogte als de situatie werkelijk vraagt.

De veiligste volgorde: putt, chip, pitch

Wat als je de keuze eenvoudiger maakt door de minst risicovolle optie eerst te beoordelen?

Gebruik deze volgorde:

  1. Kan ik putten? Kies dit als de route vlak en kort gemaaid is.
  2. Kan ik chippen? Kies dit als de bal een klein stuk moet vliegen en daarna betrouwbaar kan rollen.
  3. Moet ik pitchen? Kies dit als een obstakel of lastige ondergrond meer carry noodzakelijk maakt.

Dit is geen wet. Een ervaren golfer kan bewust een andere keuze maken. Voor veel recreatieve golfers voorkomt deze volgorde wel dat een eenvoudige situatie onnodig moeilijk wordt.

Twijfel je tussen putten en chippen, bekijk dan ook de basis van het putten. Soms is de putter vanaf een stukje kort gemaaid gras de meest rustige oplossing.

Kies eerst het landingspunt

De meeste golfers kijken vooral naar de vlag. Voor een goede chip of pitch is het landingspunt vaak belangrijker.

Het landingspunt is de plek waar de bal voor het eerst de grond moet raken. Vanaf daar begint het tweede deel van de slag: de stuit en de rol.

Golfer die vóór een chip of pitch eerst een betrouwbaar landingspunt op de green kiest

Zo kies je een bruikbaar landingspunt:

  • Zoek een vlak stukje green.
  • Vermijd een steile helling als eerste landingsplek.
  • Kies een plek voorbij de rand of de dikke kraag.
  • Houd rekening met natte, zachte of juist harde greens.
  • Bepaal hoeveel de bal na de landing nog moet rollen.

Kies daarna pas de club waarmee je dat landingspunt op een natuurlijke manier kunt bereiken.

Dat draait de gebruikelijke volgorde om. Niet: “Ik heb een sandwedge, waar zal de bal landen?” Wel: “Daar moet de bal landen, welke club maakt dat het makkelijkst?”

Welke club past bij de chip?

Je hoeft niet voor iedere chip dezelfde club te gebruiken.

  • Veel green en maar een korte vlucht nodig: met een 8- of 9-ijzer blijft de bal laag en rolt hij relatief ver door.
  • Ongeveer evenveel vlucht als rol: een pitching wedge geeft vaak een middelhoge vlucht met een voorspelbare uitrol.
  • Weinig ruimte na de landing: een gap- of sandwedge geeft meer hoogte en meestal minder rol.
  • Nauwelijks green of een obstakel voor je: dan is meer loft en vaak een pitchtechniek nodig voor een hogere balvlucht met weinig uitrol.

Dit zijn uitgangspunten, geen vaste afstanden. Jouw techniek, clubs, bal, ondergrond en greensnelheid veranderen de verhouding tussen carry en rol.

Roy behandelt clubkeuze bij het chippen daarom altijd als een keuze die van de situatie afhangt. Let tijdens het oefenen bewust op hoeveel iedere club vliegt en rolt. Na een paar oefensessies ontstaat een eigen beeld dat veel waardevoller is dan een algemene verhouding uit een tabel.

De basis van een betrouwbare chip

De meeste problemen rond de green ontstaan niet omdat een golfer te weinig soorten slagen kent. Ze ontstaan omdat de basis niet stabiel genoeg is.

Een eenvoudige chip kun je zo opbouwen:

  • Zet je voeten relatief smal.
  • Houd je balans rustig en iets meer richting je voorste voet.
  • Plaats de bal rond het midden of iets daarachter, afhankelijk van de gewenste vlucht.
  • Houd de beweging compact.
  • Laat borst, armen en club samenwerken.
  • Blijf door de bal bewegen.

Probeer niet krampachtig je polsen vast te zetten. Het doel is een rustige, herhaalbare beweging waarbij het laagste punt voorspelbaar blijft.

Raak je regelmatig eerst de grond of juist de bovenkant van de bal, ga dan terug naar een kleinere slag. Maak eerst tien rustige chips waarbij contact en landingsplek belangrijker zijn dan de hole.

De basis van een betrouwbare pitch

Een pitch vraagt meer lengte en snelheid, maar de basis blijft herkenbaar.

  • Kies voldoende loft voor de noodzakelijke hoogte.
  • Maak een iets bredere stand dan bij een chip.
  • Laat de beweging langer worden zonder plotseling te versnellen.
  • Houd je borst in beweging richting het doel.
  • Laat de club door het gras gaan in plaats van te stoppen bij de bal.
  • Eindig in balans.

De bal hoeft niet door je handen te worden opgetild. Zodra je probeert te scheppen, komt het laagste punt vaak achter de bal te liggen. Dan ontstaat een dikke slag. Til je jezelf op om de grond te ontwijken, dan kun je de bal juist dun raken.

Een goede pitch voelt daarom niet als een voorzichtige prik. Het is een kleine, doorgaande swing.

De ligging bepaalt hoeveel risico je kunt nemen

Dezelfde afstand kan om een totaal andere slag vragen als de ligging verandert.

Kort en droog gras

Vanaf kort gras kun je vaak putten, chippen of pitchen. Je hebt dus keuze. De eenvoudigste route over de grond verdient meestal de eerste beoordeling.

Hoge rough

In hoge rough kan de club worden afgeremd. Ook kan er gras tussen het clubblad en de bal komen. Kijk eerst of de bal redelijk vrij ligt. Ligt hij diep, kies dan een slag die de bal veilig uit de rough krijgt. Verwacht minder voorspelbare spin en meer uitrol.

Natte of zachte grond

Een lage slag kan op een nat stuk snel afremmen. Tegelijk wordt dik raken extra vervelend. Kies een betrouwbaar landingspunt op de green en maak een beweging die door de bal blijft gaan.

Harde ondergrond

Op harde grond kan de leading edge makkelijk tegen de bal komen. Een extreme hoge slag wordt dan riskant. Overweeg putten, een lage chip of een club waarbij je de zool rustig over de ondergrond kunt laten bewegen.

Drie fouten die de keuze moeilijker maken

Fout 1: altijd dezelfde wedge pakken

Eén club gebruiken voelt eenvoudig, maar dwingt je om met die club veel verschillende vluchten te maken. Voor sommige golfers werkt dat goed. Voor veel recreatieve golfers is het makkelijker om een vergelijkbare beweging te gebruiken en de club de vlucht te laten veranderen.

Fout 2: alleen naar de hole kijken

De hole is het einddoel, niet het eerste doel. Kies eerst een landingspunt. Beoordeel daarna de rol.

Fout 3: de moeilijkste slag oefenen, maar niet de meest voorkomende

Een hoge lob ziet er mooi uit. Toch krijg je in een ronde vaak meer eenvoudige chips en pitches. Besteed daarom het grootste deel van je oefentijd aan standaardsituaties.

Roys Par 2 Challenge

Deze oefening uit Roys Focus Reeks Grip op je Chip leert je niet alleen slaan, maar ook beslissen en scoren.

Roys Par 2 Challenge met verschillende speelplekken rond een oefengreen
  1. Kies verschillende plekken rond de oefengreen.
  2. Beoordeel vóór iedere slag de route.
  3. Kies bewust tussen putten, chippen en pitchen.
  4. Benoem je landingspunt.
  5. Speel de bal uit tot in de hole.
  6. Noteer hoeveel slagen je per situatie nodig had.

Iedere situatie is een par 2: één korte slag en één putt. Wissel makkelijke en lastigere liggingen af. Zo lijkt de oefening meer op de baan dan twintig identieke ballen vanaf één perfecte ligging.

Een eenvoudig beslisschema voor in de baan

Loop bij twijfel deze vier stappen langs:

  1. Route: kan de bal betrouwbaar rollen?
  2. Obstakel: moet de bal ergens overheen?
  3. Landing: waar kan de bal veilig voor het eerst landen?
  4. Ruimte: hoeveel green blijft daarna over?

Veel betrouwbare rol en weinig carry nodig? Kies putten of chippen.

Weinig betrouwbare rol en meer carry nodig? Kies pitchen.

Twijfel je nog steeds, kies dan de slag die je op de oefengreen daadwerkelijk hebt getest. De theoretisch perfecte slag helpt weinig als je hem nauwelijks oefent.

Chippen of pitchen wordt makkelijker als je het meet

Je hoeft rond de green niet op gevoel alleen te vertrouwen.

Noteer tijdens een training:

  • Met welke club je speelde.
  • Hoe ver de bal ongeveer vloog.
  • Hoe ver hij daarna rolde.
  • Of je het gekozen landingspunt raakte.
  • Hoeveel slagen je nodig had om uit te holen.

Na een paar sessies zie je patronen. Misschien blijkt dat je met een 9-ijzer veel beter afstand houdt dan met een hoge wedge. Misschien merk je dat je pitches goed zijn vanaf zacht gras, maar onzeker vanaf een kale ligging.

Dat inzicht maakt de keuze in de baan rustiger. Je gokt minder en herhaalt vaker een slag die je kent.

Wil je gerichter oefenen rond de green?

Begin met één oefengreen, drie landingspunten en drie verschillende clubs. Ontdek eerst wat jouw ballen werkelijk doen.

In de gratis Korte Spel Meesterschap Gids laat PGA-professional Roy Kullick zien hoe je met een duidelijk doel, een landingspunt en praktische oefeningen meer richting in je korte spel brengt.

Vrolijk golfen!

Roy Kullick PGA-professional en oprichter van Golfrijk

Wil je meer weten over Golfrijk? Bekijk dan onze informatie-pagina:

Hoe werkt Golfrijk?